Het zal een jaar of 10, 12 geleden zijn dat mijn vrouw zich ineens ernstig zorgen maakte over haar totale onkunde op internetgebied. De halve wereld gonsde en borrelde van de www-gekte, die ons leven drastisch beloofde te veranderen. Zelf was ik dagelijks urenlang onvindbaar, verstopt achter mijn uit de kluiten gewassen Personal Computer, in een poging de vooruitgang een beetje bij te houden.
Hoewel ik toen al hopeloos achterliep op de voortrekkers in mijn omgeving, zag mijn vrouw in mij toch een beetje een autoriteit. Nou ja, op computergebied dan. Vijftien jaar eerder was ik al begonnen met hobbycomputers. Ik sprak destijds zelfs een aardig mondje BASIC en kon daarmee heuse programmaatjes maken voor zinloze toepassingen. Maar ze deden het wel.
Vandaar dat ik mijn lief met enig gezag en ingebakken scepsis probeerde gerust te stellen met de profetische woorden: “Ach lieverd, maak je geen zorgen. Zo snel gaat dat nou ook weer niet met dat internet.”
Inmiddels hebben de kinderen elk hun eigen pc en vechten mijn vrouw en ik dagelijks om het gebruik van de derde. Wij surfen, skypen, googelen, gamen, msn’en, shoppen en mailen dat het een lieve lust is. Breedband en draadloos. Wij melden de kids online dat de aardappels op tafel staan, om het even kort samen te vatten. Nee, de Veenendaaltjes zijn behoorlijk bij de tijd, dank u.
Een gezinsleven zonder internet is nauwelijks meer voor te stellen. Hoe laat vertrekt de trein? Wat kost zoiets? Zijn er lessen uitgevallen? Tegen wie hockeyen we zaterdag? Kunnen die pukkeltjes kwaad? Hoe moeten we rijden? Zijn er leuke huizen te koop? Dagelijkse vragen die digitaal beantwoord worden. Je hoeft als ouder lang niet meer zoveel te weten als vroeger. Als je de weg maar weet.
En die ontwikkeling blijft niet beperkt tot het gezin. Ook het bedrijfsleven verwacht tegenwoordig minder parate kennis van zijn personeel, zo meldde de Volkskrant deze week. Afgestudeerde jongeren weten namelijk niet zo veel als hun voorgangers uit vroeger jaren, met dank aan het moderne onderwijs. Maar ze kunnen wel goed zoeken. En dus bouwt het bedrijfsleven eigen websites met specifieke vakkennis, waar hun werknemers antwoord krijgen op al hun vragen. Ja, zo kan ik ook een vakman zijn…
Kennis is macht, leerden we vroeger. Maar het heeft er dus alle schijn van dat kennis steeds minder nodig wordt. Een stelling die mijn kinderen trouwens volmondig onderschrijven, zodra het over huiswerk gaat.
Is dat erg, zo kan je je afvragen. Ja, zou ik in eerste instantie zeggen. Want ik behoor nog tot de groep die die kennis nog met bloed, zweet en tranen op zijn eigen, fysieke harde schijf heeft opgeslagen. En als mijn systeem niet al te traag is weet ik nog steeds offline wat het kofschip, de Slag bij Nieuwpoort of de Wet van Ohm betekenen. Dat is handig. Toch?
Aan de andere kant, of die kennis nou binnen of buiten je hersenpan ligt opgeslagen, het gaat er uiteindelijk om dat je er snel bij kunt. En dat je er wat mee kan doen. Dus ruim maar lekker op, die bovenkamer. Het is tenslotte voorjaar.
zaterdag 3 mei 2008
vrijdag 4 april 2008
De leugen regeert
Mijn dochter van 12 heeft vele talenten en de meeste daarvan vervullen mijn vaderhart met grote trots. Maar niet alle. Zo kan ze - als het zo uitkomt - liegen alsof het gedrukt staat. Nadat ik haar een tijdje geleden betrapte op een leugentje hadden we een goed gesprek. De kern van mijn vaderpraatje was dat het weliswaar lijkt alsof je met liegen een probleem kan oplossen, maar in werkelijkheid jezelf steeds dieper in de nesten werkt. Ik lardeerde mijn stichtelijke woorden met wat voorbeelden uit mijn eigen jeugd. Want eerlijk is eerlijk, ik kon er ook wat van. Vroeger dan.
Een paar dagen geleden kwam ze ’s avonds een kwartier te laat thuis. Lekke band. Ze had wel een half uur moeten lopen en trok er een overtuigend vermoeid gezicht bij. Geen straf dus, maar troostende woorden en een opgewarmd bordje met haar favoriete pasta. En op tijd naar bed, want er wachtte weer een lange brugklasdag.
Omdat ik heel goed weet waartoe vaders op aarde zijn liep ik even later de tuin in, gewapend met fietspomp en bandenplakgerei. Ik zette haar fiets op zijn kop en stak een bandenlichter tussen velg en buitenband. Opeens stond ze naast me. In pyjama, huilend. Met horten en stoten kwam de bekentenis er uit. Ze wist dat ze te laat was en had haar voorband leeg laten lopen, om boze reacties te voorkomen. Pas toen ze me bezig zag had ze beseft dat ik het gat niet zou vinden en De Waarheid proefondervindelijk zou achterhalen.
Zó doortrapt was ze dus ook weer niet. Haar spijt was ontwapenend en een vaderhart soms groter dan je zou wensen. De zaak is afgedaan met een knuffel en een korte samenvatting van het vorige gesprek. Volgende keer dreigt een taakstraf.
Later die avond keek ik naar een lang kamerdebat. Een blonde politicus wiens naam mij even niet te binnen schiet omdat ik niet wil demoniseren had het aan de stok met het kabinet. Zijn woorden logen er niet om. Hij was “belazerd”. Het kabinet had “een vod” geproduceerd waarin onwaarheden zouden staan, waardoor de politicus als “leugenaar” in de hoek werd gezet. Het was “een hele grote schande” dat dat allemaal maar kon in dit land.
Het kabinet, bij monde van de premier en de minister van Justitie, gebruikte niet zulke zware woorden maar hield voet bij stuk. Wat er in “het vod” stond was waar. En dus stonden beide partijen lijnrecht tegenover elkaar. En de hele Kamer wist: één van beide staat te liegen. Omdat het hier een volksvertegenwoordiger betrof zou de Kamer normaal gesproken zelf op waarheidsvinding gaan. Maar dan moet de betrokkene wel meewerken en dat gebeurde niet. Hij had er tabak van. “Jullie zoeken het allemaal maar uit.”
In de patstelling die ontstond leek de blonde politicus aan de verliezende hand. Wie het hardst schreeuwt heeft het meeste te verbergen, zei mijn moeder altijd. En bovendien, wie gelooft er nou dat het kabinet bewust zou liegen en stukken zou vervalsen om een kamerlid in een kwaad daglicht te stellen? Niemand toch?
Nou, dat valt tegen. Volgens diverse peilingen denkt meer dan de helft van de Nederlanders dat de blonde politicus slachtoffer is van een vilein staatscomplot. Dat waren weliswaar geen wetenschappelijke onderzoeken, maar het is toch een uitkomst die er niet om liegt.
Kennelijk is de kloof tussen burger en politiek zo groot dat we het kabinet moeiteloos voor een club leugenaars aanzien. Of liegen we zelf zo regelmatig dat we er blind van uitgaan dat ministers dat ook doen. Misschien vinden we het helemaal niet erg dat de blonde politicus liegt, en geven we de oude politiek gewoon lekker de schuld van alles. Hoe dan ook, de leugen regeert, om de majesteit maar eens te citeren. Daar helpt geen knuffel of goed gesprek meer aan.
Een paar dagen geleden kwam ze ’s avonds een kwartier te laat thuis. Lekke band. Ze had wel een half uur moeten lopen en trok er een overtuigend vermoeid gezicht bij. Geen straf dus, maar troostende woorden en een opgewarmd bordje met haar favoriete pasta. En op tijd naar bed, want er wachtte weer een lange brugklasdag.
Omdat ik heel goed weet waartoe vaders op aarde zijn liep ik even later de tuin in, gewapend met fietspomp en bandenplakgerei. Ik zette haar fiets op zijn kop en stak een bandenlichter tussen velg en buitenband. Opeens stond ze naast me. In pyjama, huilend. Met horten en stoten kwam de bekentenis er uit. Ze wist dat ze te laat was en had haar voorband leeg laten lopen, om boze reacties te voorkomen. Pas toen ze me bezig zag had ze beseft dat ik het gat niet zou vinden en De Waarheid proefondervindelijk zou achterhalen.
Zó doortrapt was ze dus ook weer niet. Haar spijt was ontwapenend en een vaderhart soms groter dan je zou wensen. De zaak is afgedaan met een knuffel en een korte samenvatting van het vorige gesprek. Volgende keer dreigt een taakstraf.
Later die avond keek ik naar een lang kamerdebat. Een blonde politicus wiens naam mij even niet te binnen schiet omdat ik niet wil demoniseren had het aan de stok met het kabinet. Zijn woorden logen er niet om. Hij was “belazerd”. Het kabinet had “een vod” geproduceerd waarin onwaarheden zouden staan, waardoor de politicus als “leugenaar” in de hoek werd gezet. Het was “een hele grote schande” dat dat allemaal maar kon in dit land.
Het kabinet, bij monde van de premier en de minister van Justitie, gebruikte niet zulke zware woorden maar hield voet bij stuk. Wat er in “het vod” stond was waar. En dus stonden beide partijen lijnrecht tegenover elkaar. En de hele Kamer wist: één van beide staat te liegen. Omdat het hier een volksvertegenwoordiger betrof zou de Kamer normaal gesproken zelf op waarheidsvinding gaan. Maar dan moet de betrokkene wel meewerken en dat gebeurde niet. Hij had er tabak van. “Jullie zoeken het allemaal maar uit.”
In de patstelling die ontstond leek de blonde politicus aan de verliezende hand. Wie het hardst schreeuwt heeft het meeste te verbergen, zei mijn moeder altijd. En bovendien, wie gelooft er nou dat het kabinet bewust zou liegen en stukken zou vervalsen om een kamerlid in een kwaad daglicht te stellen? Niemand toch?
Nou, dat valt tegen. Volgens diverse peilingen denkt meer dan de helft van de Nederlanders dat de blonde politicus slachtoffer is van een vilein staatscomplot. Dat waren weliswaar geen wetenschappelijke onderzoeken, maar het is toch een uitkomst die er niet om liegt.
Kennelijk is de kloof tussen burger en politiek zo groot dat we het kabinet moeiteloos voor een club leugenaars aanzien. Of liegen we zelf zo regelmatig dat we er blind van uitgaan dat ministers dat ook doen. Misschien vinden we het helemaal niet erg dat de blonde politicus liegt, en geven we de oude politiek gewoon lekker de schuld van alles. Hoe dan ook, de leugen regeert, om de majesteit maar eens te citeren. Daar helpt geen knuffel of goed gesprek meer aan.
Labels:
column,
geert wilders,
liegen,
peter veenendaal
vrijdag 22 februari 2008
Bevruchtingspolitie
Het dreigde een sloom weekje te worden in politiek Den Haag. Het weinige nieuws dat er was kwam uit Kosovo, Cuba en de ledenraad van Ajax. Het Haagse journaille veerde dan ook verrast op toen minister Rouvoet van Jeugd en Gezin ineens het oude, immer heikele punt van bevolkingspolitiek van stal haalde. U weet wel, dat de staat bepaalt hoeveel kinderen een vaderlands gezinnetje wel of juist niet zou moeten krijgen om ons voortbestaan in welvaart te garanderen.
Bevolkingspolitiek riekt naar de moeizame jaren van onze wederopbouw, naar het abjecte Lebensborn programma van de nazi’s en naar China, waar ouders lange tijd maar 1 kind mochten krijgen. En dus was er ineens werk aan de winkel in Den Haag. “Rouvoet rept van bevolkingspolitiek’, kopte NRC Handelsblad voorop. Tv-verslaggevers rukten uit naar schoolpleinen waar ze argeloze moeders van gemiddeld 1,7 kind ter verantwoording riepen voor hun ondermaats presteren.
“Bevolkingsplan Rouvoet stuit vooral op scepsis”, zo meldden de regionale dagbladen de volgende ochtend. Zo groeide het relletje in de pers. Er was nu kennelijk ineens een ‘plan’, waar andere politici en tal van deskundologen zich tegen afzetten. Ieder speelde zijn rol braaf mee. De PvdA liet weten dat ze “ingrijpen in de bedstee” niet ziet zitten. De Vereniging Grote Gezinnen was uiteraard verheugd, en een hoogleraar economie noemde bewust ouderloze echtparen zelfs “parasieten”, omdat ze later wel meeprofiteren van de ouderenzorg maar er nu zelf niets in investeren.
Die arme Rouvoet moest ineens volop in de verdediging. Terwijl hij zich, geheel in karakter, juist zo genuanceerd had uitgelaten in het vraaggesprek met dagblad De Pers, waar het allemaal mee begon. “In Nederland zijn we vrij terughoudend met bevolkingspolitiek en daar kan ik me wel in vinden”, zo werd de voorman van de ChristenUnie geciteerd. Hij zei verder dat het geboortecijfer statistisch gezien 2,1 kind zou moeten zijn in plaats van de huidige 1,7, om de gevolgen van de vergrijzing in ons land betaalbaar te houden. Daarom zou hij het wel “interessant vinden om daar een discussie over te voeren”. Maar hij wil de Nederlanders niet voorschrijven hoeveel kinderen ze moeten krijgen. “Als nou iets een persoonlijke beslissing is, dan is dat het wel”.
Zo is het. En meer heeft de minister van Jeugd en Gezin in dat interview niet gezegd. Maar kennelijk is het onderwerp beladen genoeg om te worden aangevallen als je er een discussie over wilt voeren. Let wel, een discussie over het betaalbaar houden van de ouderenzorg. Niet over de invoering van productiequota in de echtelijke sponde.
Wat leert ons deze korte reconstructie van een Haagse zeepbel? Dat ook een door de wol geverfd politicus als Rouvoet op zijn tellen moet passen. Dat nieuwshongerige collega’s aan een half woord genoeg hebben om, zonder ook maar één letter te jokken, meer controverse te suggereren dan er is. Dat anderen graag meedoen aan zo’n potje opjutten. En vooral dat geboortepolitiek kennelijk niet zo lekker ligt in Nederland.
In fatsoenlijke Europese landen als Frankrijk of Spanje is het gewoon regeringsbeleid om het krijgen van meer kinderen te stimuleren met financiële extraatjes, speciale regelingen of gratis voorzieningen. Dat zou hier ook prima kunnen, als je het geboortecijfer in Nederland wilt opkrikken.
Maar nee hoor. Wij zien meteen visioenen van een soort Bevruchtingspolitie; geharde mannen en vrouwen in lederen jassen die met nachtelijke invallen steekproefsgewijs controleren of aan de vaderlandsche plichten wordt voldaan. Nee sorry agent, ik had een beetje hoofdpijn. Of wacht eens, misschien vinden we het juist wel spannend! Een prima remedie tegen bedsleur. Ook “interessant om een discussie over te voeren”, denk ik.
Bevolkingspolitiek riekt naar de moeizame jaren van onze wederopbouw, naar het abjecte Lebensborn programma van de nazi’s en naar China, waar ouders lange tijd maar 1 kind mochten krijgen. En dus was er ineens werk aan de winkel in Den Haag. “Rouvoet rept van bevolkingspolitiek’, kopte NRC Handelsblad voorop. Tv-verslaggevers rukten uit naar schoolpleinen waar ze argeloze moeders van gemiddeld 1,7 kind ter verantwoording riepen voor hun ondermaats presteren.
“Bevolkingsplan Rouvoet stuit vooral op scepsis”, zo meldden de regionale dagbladen de volgende ochtend. Zo groeide het relletje in de pers. Er was nu kennelijk ineens een ‘plan’, waar andere politici en tal van deskundologen zich tegen afzetten. Ieder speelde zijn rol braaf mee. De PvdA liet weten dat ze “ingrijpen in de bedstee” niet ziet zitten. De Vereniging Grote Gezinnen was uiteraard verheugd, en een hoogleraar economie noemde bewust ouderloze echtparen zelfs “parasieten”, omdat ze later wel meeprofiteren van de ouderenzorg maar er nu zelf niets in investeren.
Die arme Rouvoet moest ineens volop in de verdediging. Terwijl hij zich, geheel in karakter, juist zo genuanceerd had uitgelaten in het vraaggesprek met dagblad De Pers, waar het allemaal mee begon. “In Nederland zijn we vrij terughoudend met bevolkingspolitiek en daar kan ik me wel in vinden”, zo werd de voorman van de ChristenUnie geciteerd. Hij zei verder dat het geboortecijfer statistisch gezien 2,1 kind zou moeten zijn in plaats van de huidige 1,7, om de gevolgen van de vergrijzing in ons land betaalbaar te houden. Daarom zou hij het wel “interessant vinden om daar een discussie over te voeren”. Maar hij wil de Nederlanders niet voorschrijven hoeveel kinderen ze moeten krijgen. “Als nou iets een persoonlijke beslissing is, dan is dat het wel”.
Zo is het. En meer heeft de minister van Jeugd en Gezin in dat interview niet gezegd. Maar kennelijk is het onderwerp beladen genoeg om te worden aangevallen als je er een discussie over wilt voeren. Let wel, een discussie over het betaalbaar houden van de ouderenzorg. Niet over de invoering van productiequota in de echtelijke sponde.
Wat leert ons deze korte reconstructie van een Haagse zeepbel? Dat ook een door de wol geverfd politicus als Rouvoet op zijn tellen moet passen. Dat nieuwshongerige collega’s aan een half woord genoeg hebben om, zonder ook maar één letter te jokken, meer controverse te suggereren dan er is. Dat anderen graag meedoen aan zo’n potje opjutten. En vooral dat geboortepolitiek kennelijk niet zo lekker ligt in Nederland.
In fatsoenlijke Europese landen als Frankrijk of Spanje is het gewoon regeringsbeleid om het krijgen van meer kinderen te stimuleren met financiële extraatjes, speciale regelingen of gratis voorzieningen. Dat zou hier ook prima kunnen, als je het geboortecijfer in Nederland wilt opkrikken.
Maar nee hoor. Wij zien meteen visioenen van een soort Bevruchtingspolitie; geharde mannen en vrouwen in lederen jassen die met nachtelijke invallen steekproefsgewijs controleren of aan de vaderlandsche plichten wordt voldaan. Nee sorry agent, ik had een beetje hoofdpijn. Of wacht eens, misschien vinden we het juist wel spannend! Een prima remedie tegen bedsleur. Ook “interessant om een discussie over te voeren”, denk ik.
Labels:
bevolkingspolitiek,
column,
peter veenendaal,
rouvoet
vrijdag 11 januari 2008
Emocratie
Democratie is prachtig. Vooral met een blokje kaas en een goed glas wijn erbij. Fascinerende televisie, die Amerikaanse presidentsverkiezingen. Ook al duurt het nog bijna een jaar voor we weten wie die hondenbaan gaat overnemen van George W. Bush. Wordt het Obama, Hillary, of gewoon toch weer een Republikein? Het kan me persoonlijk niet meer zoveel schelen. Na een jaartje in het Witte Huis lijken ze allemaal al weer aardig op hun voorganger. Maar het kijkspel wordt er niet minder boeiend op.
Vroeger, als beginnend redacteurtje van een grote regionale krant, leefde ik ook inhoudelijk enorm mee. Gulzig las, luisterde en bekeek ik alles wat met de strijd om het Witte Huis te maken had. Voor mijn lezertjes in Noord-Holland analyseerde ik de titanenstrijd in Washington met een gezag dat nog niet was aangevreten door de twijfel, die met de jaren onverbiddelijk de kop opsteekt.
In 1984 trad de Democraat Walter Mondale samen met zijn vrouwelijke running mate Geraldine Ferraro in het strijdperk tegen de zittende president Ronald Reagan en vice-president George Bush, ja, de vader-van. Tegen beter weten in hoopte ik op een spannende verkiezingsnacht. Groot was dan ook mijn vreugde toen de NOS trots aankondigde dat ze die nacht live het verkiezingsprogramma van de Amerikaanse zender ABC zouden uitzenden. Dat werd smullen, want live meekijken met de Amerikaanse televisie, dat wàs wat in die tijd.
Gewapend met donuts en koffie zette ik mij diep in de nacht voor de buis, net als tienduizenden andere Amerika-gekken in dit land. Reagan won met twee vingers in de neus, maar dat was nog niet eens het ergste. De hele nacht door, soms op de spannendste momenten, kwam NOS-presentator Pieter de Vink er hinderlijk doorheen om ons met engelengeduld uit te leggen hoe het Amerikaanse kiesstelsel in elkaar zit. Alsof we dat niet wisten, wij die er een nachtrust voor hadden opgeofferd! Wèg dat gevoel dat je er zelf middenin zit. Ik kan er nog kwaad om worden.
Inmiddels, ik zei het al, gaat het me wat meer om het spel dan om de knikkers. Tuurlijk, het maakt voor ons in Nederland en Europa veel verschil wie er in het Witte Huis woont. We hebben het nog steeds over het machtigste land ter wereld. De economie, de dollar, oorlogen in Afghanistan en Irak, we hebben er allemaal rechtstreeks mee te maken.
Maar dat verklaart nog niet we hier zó massaal, en al zó ver van tevoren willen meegenieten van de race om het Witte Huis. Dè nieuwszender van Nederland opende dinsdagmorgen de uitzending met de eerste uitslagen van de voorverkiezingen uit een klein dorpje in New Hampshire. Televisie en kranten stonden dagenlang bol van de verrassende overwinning van Hillary. En er is zelfs een heuse Nederlandse kieswijzer op internet beschikbaar, die mij na het beantwoorden van 25 vragen aanraadt om op John Edwards te stemmen.
Vergelijk al die opwinding eens met de aandacht die de verkiezingen in belangrijke naburige landen als Frankrijk, Duitsland of Rusland bij ons krijgen, en je zou denken dat wij de 52ste staat van de Amerika zijn. Maar niet alleen wij, ook elders in de westerse wereld staan de media bol van de Amerikaanse verkiezingsstrijd.
Dat kan te maken hebben met de media zelf. De internationale pers is traditioneel nogal Angelsaksisch georiënteerd. Daardoor komt er een stortvloed van verhalen, geluiden en beelden op de Nederlandse redacties terecht en gaan we blijkbaar vanzelf denken dat het een extreem belangrijk onderwerp is. Zoals een spectaculair ongeluk in Amerika hier wel het Journaal haalt en een nog groter ongeluk in India niet. Alleen maar omdat er uit Amerika dramatische beelden beschikbaar zijn.
Nog belangrijker lijkt me de extreme focus op de menselijke kant van de Amerikaanse presidentskandidaten. Het zweten van Nixon, de vrouwen van Kennedy, de blunders van Reagan, domheid van Quayle, de sigaar van Clinton, de gestolen zege van Bush, de snik van Hillary… We smullen er van. Emocratie is prachtig.
Vroeger, als beginnend redacteurtje van een grote regionale krant, leefde ik ook inhoudelijk enorm mee. Gulzig las, luisterde en bekeek ik alles wat met de strijd om het Witte Huis te maken had. Voor mijn lezertjes in Noord-Holland analyseerde ik de titanenstrijd in Washington met een gezag dat nog niet was aangevreten door de twijfel, die met de jaren onverbiddelijk de kop opsteekt.
In 1984 trad de Democraat Walter Mondale samen met zijn vrouwelijke running mate Geraldine Ferraro in het strijdperk tegen de zittende president Ronald Reagan en vice-president George Bush, ja, de vader-van. Tegen beter weten in hoopte ik op een spannende verkiezingsnacht. Groot was dan ook mijn vreugde toen de NOS trots aankondigde dat ze die nacht live het verkiezingsprogramma van de Amerikaanse zender ABC zouden uitzenden. Dat werd smullen, want live meekijken met de Amerikaanse televisie, dat wàs wat in die tijd.
Gewapend met donuts en koffie zette ik mij diep in de nacht voor de buis, net als tienduizenden andere Amerika-gekken in dit land. Reagan won met twee vingers in de neus, maar dat was nog niet eens het ergste. De hele nacht door, soms op de spannendste momenten, kwam NOS-presentator Pieter de Vink er hinderlijk doorheen om ons met engelengeduld uit te leggen hoe het Amerikaanse kiesstelsel in elkaar zit. Alsof we dat niet wisten, wij die er een nachtrust voor hadden opgeofferd! Wèg dat gevoel dat je er zelf middenin zit. Ik kan er nog kwaad om worden.
Inmiddels, ik zei het al, gaat het me wat meer om het spel dan om de knikkers. Tuurlijk, het maakt voor ons in Nederland en Europa veel verschil wie er in het Witte Huis woont. We hebben het nog steeds over het machtigste land ter wereld. De economie, de dollar, oorlogen in Afghanistan en Irak, we hebben er allemaal rechtstreeks mee te maken.
Maar dat verklaart nog niet we hier zó massaal, en al zó ver van tevoren willen meegenieten van de race om het Witte Huis. Dè nieuwszender van Nederland opende dinsdagmorgen de uitzending met de eerste uitslagen van de voorverkiezingen uit een klein dorpje in New Hampshire. Televisie en kranten stonden dagenlang bol van de verrassende overwinning van Hillary. En er is zelfs een heuse Nederlandse kieswijzer op internet beschikbaar, die mij na het beantwoorden van 25 vragen aanraadt om op John Edwards te stemmen.
Vergelijk al die opwinding eens met de aandacht die de verkiezingen in belangrijke naburige landen als Frankrijk, Duitsland of Rusland bij ons krijgen, en je zou denken dat wij de 52ste staat van de Amerika zijn. Maar niet alleen wij, ook elders in de westerse wereld staan de media bol van de Amerikaanse verkiezingsstrijd.
Dat kan te maken hebben met de media zelf. De internationale pers is traditioneel nogal Angelsaksisch georiënteerd. Daardoor komt er een stortvloed van verhalen, geluiden en beelden op de Nederlandse redacties terecht en gaan we blijkbaar vanzelf denken dat het een extreem belangrijk onderwerp is. Zoals een spectaculair ongeluk in Amerika hier wel het Journaal haalt en een nog groter ongeluk in India niet. Alleen maar omdat er uit Amerika dramatische beelden beschikbaar zijn.
Nog belangrijker lijkt me de extreme focus op de menselijke kant van de Amerikaanse presidentskandidaten. Het zweten van Nixon, de vrouwen van Kennedy, de blunders van Reagan, domheid van Quayle, de sigaar van Clinton, de gestolen zege van Bush, de snik van Hillary… We smullen er van. Emocratie is prachtig.
Labels:
column,
peter veenendaal,
presidentsverkiezingen,
VS
donderdag 29 november 2007
Roeptoeter
Ik las de avondkrant en keek met een half oog tv. Zonder geluid, lekker rustig. De verslaggever hield een opgewonden betoog en wendde zich tot een politicus. De blonde manen en vierkante kin van Geert Wilders vulden het beeld. Ik kon de aanvechting om het geluid aan te zetten gemakkelijk onderdrukken. Terwijl Wilders sprak werd de kijker getrakteerd op beelden van de Koran, de aanslag van 11 september en de moord op Theo van Gogh.
Het beeldverhaal sprak boekdelen. Heilige boekdelen. Koran = islam = haat = terrorisme. Hé, zijn dat geen leuke ingrediënten voor een mooie film? Jawel, dat had Geert zelf ook al bedacht en daar ging het tv-gesprekje over. Nederland houdt zijn hart vast want Wilders laat een film maken over de islam! Niet origineel, maar wel een bewezen probaat middel om de moslimgemeenschap weer eens flink in de gordijnen te jagen. Vraag dat maar aan Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh. Hun film Submission bleek zo explosief dat niemand ‘m in huis durft te hebben, laat staan vertonen.
Hoe ver kan je als politicus gaan om zieltjes te winnen en jezelf keer op keer in de publiciteit te wringen? Heel ver, zo blijkt. Wanhopig surfend op de wegebbende schokgolven van 11 september, Pim Fortuyn en Theo van Gogh roept Wilders steeds rabiatere teksten. De Roeptoeter, zo wordt hij genoemd in kringen van zijn oud-collega’s van de VVD. Zo stelde hij onlangs een heus tien punten tellend deltaplan voor om de invloed en aanwezigheid van de islam in Nederland terug te dringen. En de volgens hem ‘fascistische’ Koran, die louter geweld zou prediken, moest verboden worden.
En ziet, het werkt. Wilders’ Partij voor de Vrijheid, goed voor negen zetels in de Tweede Kamer, staat in de laatste peilingen op veertien, één meer dan de VVD waar de Roeptoeter vandaan komt. Het zal dus wel kinnesinne zijn, maar deze week hoorde ik dat een prominente VVD’er heeft gezegd dat Wilders helemaal niet meer bedreigd wordt en dus al die beveiligingsmensen om zich heen naar huis kan sturen. Om dat te voorkomen zou hij steeds wildere dingen over moslims roepen.
Het zou een verklaring kunnen zijn, maar de prijs die een mens voor permanente persoonsbeveiliging betaalt lijkt me te hoog. Zelfs voor Wilders. Wel rijst de vraag wat hij hemelsnaam de volgende keer zou moeten doen om het schokeffect in stand te houden. Het zou me niet verbazen als Geert stiekem tekenlessen volgt om volgende maand een paar schokkende cartoons te publiceren waarop te zien is hoe Mohammed in compromitterende omstandigheden wordt betrapt in een Nijmeegse fietsenstalling.
Misschien is dat niet eens nodig. Geert Wilders ìs eigenlijk al een cartoon. En als het niet zo kwetsend was voor honderdduizenden landgenoten, was het nog grappig ook. Maar als ik een vredelievende moslim was, zou ik na een paar minuten Wilders op tv mijn koffers pakken voor een leerzame doe-vakantie op een afgelegen plek in de bergen van Pakistan. Of nee, erger nog. Ik zou helemaal niks doen en vreedzaam doorgaan met mijn leven, om zo zijn ongelijk te bewijzen. Dàt zou Wilders pas pijnlijk treffen.
Het beeldverhaal sprak boekdelen. Heilige boekdelen. Koran = islam = haat = terrorisme. Hé, zijn dat geen leuke ingrediënten voor een mooie film? Jawel, dat had Geert zelf ook al bedacht en daar ging het tv-gesprekje over. Nederland houdt zijn hart vast want Wilders laat een film maken over de islam! Niet origineel, maar wel een bewezen probaat middel om de moslimgemeenschap weer eens flink in de gordijnen te jagen. Vraag dat maar aan Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh. Hun film Submission bleek zo explosief dat niemand ‘m in huis durft te hebben, laat staan vertonen.
Hoe ver kan je als politicus gaan om zieltjes te winnen en jezelf keer op keer in de publiciteit te wringen? Heel ver, zo blijkt. Wanhopig surfend op de wegebbende schokgolven van 11 september, Pim Fortuyn en Theo van Gogh roept Wilders steeds rabiatere teksten. De Roeptoeter, zo wordt hij genoemd in kringen van zijn oud-collega’s van de VVD. Zo stelde hij onlangs een heus tien punten tellend deltaplan voor om de invloed en aanwezigheid van de islam in Nederland terug te dringen. En de volgens hem ‘fascistische’ Koran, die louter geweld zou prediken, moest verboden worden.
En ziet, het werkt. Wilders’ Partij voor de Vrijheid, goed voor negen zetels in de Tweede Kamer, staat in de laatste peilingen op veertien, één meer dan de VVD waar de Roeptoeter vandaan komt. Het zal dus wel kinnesinne zijn, maar deze week hoorde ik dat een prominente VVD’er heeft gezegd dat Wilders helemaal niet meer bedreigd wordt en dus al die beveiligingsmensen om zich heen naar huis kan sturen. Om dat te voorkomen zou hij steeds wildere dingen over moslims roepen.
Het zou een verklaring kunnen zijn, maar de prijs die een mens voor permanente persoonsbeveiliging betaalt lijkt me te hoog. Zelfs voor Wilders. Wel rijst de vraag wat hij hemelsnaam de volgende keer zou moeten doen om het schokeffect in stand te houden. Het zou me niet verbazen als Geert stiekem tekenlessen volgt om volgende maand een paar schokkende cartoons te publiceren waarop te zien is hoe Mohammed in compromitterende omstandigheden wordt betrapt in een Nijmeegse fietsenstalling.
Misschien is dat niet eens nodig. Geert Wilders ìs eigenlijk al een cartoon. En als het niet zo kwetsend was voor honderdduizenden landgenoten, was het nog grappig ook. Maar als ik een vredelievende moslim was, zou ik na een paar minuten Wilders op tv mijn koffers pakken voor een leerzame doe-vakantie op een afgelegen plek in de bergen van Pakistan. Of nee, erger nog. Ik zou helemaal niks doen en vreedzaam doorgaan met mijn leven, om zo zijn ongelijk te bewijzen. Dàt zou Wilders pas pijnlijk treffen.
Labels:
column,
geert wilders,
peter veenendaal
maandag 5 november 2007
De Denkers van Singer
Je zou het eigenlijk moeten zien, maar ik zal proberen het beeld te beschrijven. Op pagina 7 van het dagblad Trouw stond woensdag een foto van twee bezoekers van het Singer Museum in Laren, die vol afgrijzen staren naar een verminkt beeld. Het gaat om een bronzen kopie van De Denker van August Rodin, een van de zeven bronzen beelden die een week eerder uit de beeldentuin van het museum waren geroofd. Het beeld is zwaar beschadigd teruggevonden en uit woede door de museumdirectie in al zijn geschonden pracht tentoongesteld.
In een poging het beeld tot verkoopbare hompen brons te reduceren, hebben de dieven een slijptol in het voorhoofd van De Denker geplant, waarmee ze een centimeter dikke gleuf richting nek hebben gezaagd. Als een bizar petje hangt het schedeldak boven de rest van het hoofd, slechts gesteund door een paar centimeter bronzen nekhaar.
Een opmerkelijk plaatje, maar het werd pas beeldrijm door het berichtje dat er per ongeluk – of niet - naast was gezet: “Ophef over brein van overleden 115-jarige vrouw”. Het bericht gaat over de hersenen van de Hendrikje van Andel-Schippers, die in 2005 op de genoemde, extreem hoge leeftijd overleed. Hendrikje, bij leven de oudste vrouw ter wereld, had haar lichaam ter beschikking van de wetenschap gesteld. Een Groningse professor die Hendrikje’s hoofd heeft onderzocht concludeerde deze week dat ze ondanks haar jaren nog beschikte over een perfect functionerend brein. De oude Alzheimer was haar volkomen vergeten.
De ophef ging over het feit dat de hooggeleerde Groninger deze gegevens niet had mogen publiceren, omdat dat postuum de privacy van Hendrikje zou schenden. Niet over het feit dat ook hij een zaag in een voorhoofd heeft gezet. Dat is namelijk wetenschap, en wetenschap is geen kunst.
Trouwens, waarom zou Hendrikje anders haar lichaam ter beschikking hebben gesteld? Toch niet om die prachtige conclusie in een Groningse kluis te bewaren, neem ik aan. Maar goed.
Als het niet zo onherroepelijk was zou ik – louter op wetenschappelijke gronden - wel eens de slijptol in het voorhoofd van de bronsdieven willen zetten. Want het zou me zeer verbazen als er veel substantie onder die hersenpannen werd aangetroffen. Zeven beelden roofden ze, louter voor het brons. Het 105 jaar oude pronkstuk van Rodin, dat volgens kenners niet meer te repareren valt, had hooguit een paar honderd euro aan metaalwaarde opgeleverd. Ten minste, áls de dieven al een opkoper hadden kunnen vinden die er zijn vingers aan had willen branden. Vandaar hun poging om het beeld in kleine stukjes te zagen en – vermoedelijk – te smelten.
Allemachtig, wat een werk voor een paar honderd euro. Zeker als je daar de planning en de nachtelijke uren van de roof nog eens bijrekent. Dat levert een uurtarief op waar je vandaag de dag geen loodgieter meer voor kunt krijgen.
De directie van het Singer Museum luchtte haar woede treffend geformuleerd in een persbericht: “De brute behandeling die het unieke historisch bronzen beeld ten deel viel, vanuit de kennelijke interesse in niets anders dan het materiaal, tekent de stompzinnigheid van de daad.”
Nee, echte denkers zijn het niet, die bronsdieven. Dat had Hendrikje ze nog haarfijn kunnen uitleggen.
In een poging het beeld tot verkoopbare hompen brons te reduceren, hebben de dieven een slijptol in het voorhoofd van De Denker geplant, waarmee ze een centimeter dikke gleuf richting nek hebben gezaagd. Als een bizar petje hangt het schedeldak boven de rest van het hoofd, slechts gesteund door een paar centimeter bronzen nekhaar.
Een opmerkelijk plaatje, maar het werd pas beeldrijm door het berichtje dat er per ongeluk – of niet - naast was gezet: “Ophef over brein van overleden 115-jarige vrouw”. Het bericht gaat over de hersenen van de Hendrikje van Andel-Schippers, die in 2005 op de genoemde, extreem hoge leeftijd overleed. Hendrikje, bij leven de oudste vrouw ter wereld, had haar lichaam ter beschikking van de wetenschap gesteld. Een Groningse professor die Hendrikje’s hoofd heeft onderzocht concludeerde deze week dat ze ondanks haar jaren nog beschikte over een perfect functionerend brein. De oude Alzheimer was haar volkomen vergeten.
De ophef ging over het feit dat de hooggeleerde Groninger deze gegevens niet had mogen publiceren, omdat dat postuum de privacy van Hendrikje zou schenden. Niet over het feit dat ook hij een zaag in een voorhoofd heeft gezet. Dat is namelijk wetenschap, en wetenschap is geen kunst.
Trouwens, waarom zou Hendrikje anders haar lichaam ter beschikking hebben gesteld? Toch niet om die prachtige conclusie in een Groningse kluis te bewaren, neem ik aan. Maar goed.
Als het niet zo onherroepelijk was zou ik – louter op wetenschappelijke gronden - wel eens de slijptol in het voorhoofd van de bronsdieven willen zetten. Want het zou me zeer verbazen als er veel substantie onder die hersenpannen werd aangetroffen. Zeven beelden roofden ze, louter voor het brons. Het 105 jaar oude pronkstuk van Rodin, dat volgens kenners niet meer te repareren valt, had hooguit een paar honderd euro aan metaalwaarde opgeleverd. Ten minste, áls de dieven al een opkoper hadden kunnen vinden die er zijn vingers aan had willen branden. Vandaar hun poging om het beeld in kleine stukjes te zagen en – vermoedelijk – te smelten.
Allemachtig, wat een werk voor een paar honderd euro. Zeker als je daar de planning en de nachtelijke uren van de roof nog eens bijrekent. Dat levert een uurtarief op waar je vandaag de dag geen loodgieter meer voor kunt krijgen.
De directie van het Singer Museum luchtte haar woede treffend geformuleerd in een persbericht: “De brute behandeling die het unieke historisch bronzen beeld ten deel viel, vanuit de kennelijke interesse in niets anders dan het materiaal, tekent de stompzinnigheid van de daad.”
Nee, echte denkers zijn het niet, die bronsdieven. Dat had Hendrikje ze nog haarfijn kunnen uitleggen.
Labels:
column,
kunstroof,
peter veenendaal,
rodin
donderdag 18 oktober 2007
Trots op Nederland
Mijn God heb meelij met mij en dit arme volk. Die beroemde laatste woorden van een oude BN’er schoten me door het hoofd toen Rita Verdonk deze week aankondigde dat ze premier van Nederland wil worden. Als voertuig voor die ambitie gaat ze de beweging Trots op Nederland oprichten. Ook dat nog. Dit arme volk heeft al zoveel moeten doorstaan. De Spanjaarden en de Duitsers, de woeste zee, de verloren finale van 1974, vier kabinetten-Balkenende. En nu dit…
Als een majesteit ontving ze woensdagavond de dames en heren van de pers in het Haagse perscentrum Nieuwspoort. Eén voor een, en allemaal tien minuten. Niet tegelijk, want dat kan lastig worden, zo wist ze nog van haar gloriedagen als onversaagd minister voor Vreemdelingenzaken. IJzeren Rita was als bewindsvrouw even geliefd als gehaat, met haar stoere oneliners en onvermurwbare optreden. Maar als de Tweede Kamer haar het vuur aan de schenen legde, blonk ze slechts uit in herhaling en geschutter.
Ach ja, die volksvertegenwoordigers. Lastige lieden, die zeuren over onvolledige informatieverstrekking door de minister, die soms niet eens Nederlander bleken te zijn en die een motie van afkeuring tegen haar durfden aan te nemen. Tegen haar! Rita Verdonk! Wisten ze dan niet dat ze heel veel aardige briefjes en mailtjes van de kiezers kreeg? Wacht maar!
Ze deed een gooi naar het lijsttrekkerschap van haar VVD maar verloor die strijd van Mark Rutte, tot haar eigen verbijstering. Een meerderheid van haar eigen partij had liever een ander, hoe was dat nou mogelijk? Toen de stembureaus vorig jaar gesloten waren haalde ze alsnog haar gram. Een dikke 600.000 kiezers hadden Verdonk een voorkeursstem gegeven, meer dan lijsttrekker Rutte. Zo, die zat. En nou mocht ze toch eindelijk wel partijleider worden, toch? Nee dus, de partij besliste anders. Opmerkelijk misschien, maar geheel binnen de regels van een democratische partij.
Bijna een jaar wist Rita zich te schikken in haar rol als doodgewoon kamerlid, zachtjes knagend aan de stoelpoten van haar partijleider. Toen barstte de bom en werd ze uit de fractie geknikkerd, en daarna zelfs uit de partij. En eindelijk was daar de ruimte die haar tomeloze ambitie zo ontbeerde.
Die 600.000 voorkeurstemmen zijn Rita volledig naar het hoofd gestegen, alwaar zij ruim voldoende leegte vonden om zich permanent te nestelen. Het volk wil haar, Rita, daar is ze vast van overtuigd. En als het volk dat wil, dan is zij de beroerdste niet. Daar heeft ze heel goed over nagedacht. Ze wordt de eerste vrouwelijke premier van Nederland!
Hoe dat moet gebeurden weet ze ook. Er komt een Beweging onder de naam Trots op Nederland, want daar kan niemand tegen zijn. En in die beweging komen alleen maar mensen die zij zelf heeft uitgezocht. En het volk mag donateur worden. Geen lid, want leden willen invloed en dat kan lastig zijn. En later wordt die beweging een partij, met Rita Verdonk als lijsttrekker. Unaniem gekozen, dat staat vast.
En wat wìl die beweging dan, zo wilden de persmuskieten woensdag weten. Nou, die beweging wil de files opheffen, de ouderzorg verbeteren en wil een stevig immigratie- en integratiebeleid, zei Rita. Maar dat is oude koek! Daar wordt al járen over gesproken in de Kamer, zo durfde een verslaggeefster van Het Journaal tegen te werpen. Jazeker, zei Rita triomfantelijk, met dat minzame lachje rond de mondhoeken. Maar dat was nou precies het verschil. Anderen praten er alleen maar over, zij gaat het oplossen!
Wat een simplisme, wat een minachting van onze democratie, wat een onderschatting van ons gezond verstand. Een vrouwelijke premier? Het zal eens een keertje tijd worden. Maar deze niet, alstublieft.
Als een majesteit ontving ze woensdagavond de dames en heren van de pers in het Haagse perscentrum Nieuwspoort. Eén voor een, en allemaal tien minuten. Niet tegelijk, want dat kan lastig worden, zo wist ze nog van haar gloriedagen als onversaagd minister voor Vreemdelingenzaken. IJzeren Rita was als bewindsvrouw even geliefd als gehaat, met haar stoere oneliners en onvermurwbare optreden. Maar als de Tweede Kamer haar het vuur aan de schenen legde, blonk ze slechts uit in herhaling en geschutter.
Ach ja, die volksvertegenwoordigers. Lastige lieden, die zeuren over onvolledige informatieverstrekking door de minister, die soms niet eens Nederlander bleken te zijn en die een motie van afkeuring tegen haar durfden aan te nemen. Tegen haar! Rita Verdonk! Wisten ze dan niet dat ze heel veel aardige briefjes en mailtjes van de kiezers kreeg? Wacht maar!
Ze deed een gooi naar het lijsttrekkerschap van haar VVD maar verloor die strijd van Mark Rutte, tot haar eigen verbijstering. Een meerderheid van haar eigen partij had liever een ander, hoe was dat nou mogelijk? Toen de stembureaus vorig jaar gesloten waren haalde ze alsnog haar gram. Een dikke 600.000 kiezers hadden Verdonk een voorkeursstem gegeven, meer dan lijsttrekker Rutte. Zo, die zat. En nou mocht ze toch eindelijk wel partijleider worden, toch? Nee dus, de partij besliste anders. Opmerkelijk misschien, maar geheel binnen de regels van een democratische partij.
Bijna een jaar wist Rita zich te schikken in haar rol als doodgewoon kamerlid, zachtjes knagend aan de stoelpoten van haar partijleider. Toen barstte de bom en werd ze uit de fractie geknikkerd, en daarna zelfs uit de partij. En eindelijk was daar de ruimte die haar tomeloze ambitie zo ontbeerde.
Die 600.000 voorkeurstemmen zijn Rita volledig naar het hoofd gestegen, alwaar zij ruim voldoende leegte vonden om zich permanent te nestelen. Het volk wil haar, Rita, daar is ze vast van overtuigd. En als het volk dat wil, dan is zij de beroerdste niet. Daar heeft ze heel goed over nagedacht. Ze wordt de eerste vrouwelijke premier van Nederland!
Hoe dat moet gebeurden weet ze ook. Er komt een Beweging onder de naam Trots op Nederland, want daar kan niemand tegen zijn. En in die beweging komen alleen maar mensen die zij zelf heeft uitgezocht. En het volk mag donateur worden. Geen lid, want leden willen invloed en dat kan lastig zijn. En later wordt die beweging een partij, met Rita Verdonk als lijsttrekker. Unaniem gekozen, dat staat vast.
En wat wìl die beweging dan, zo wilden de persmuskieten woensdag weten. Nou, die beweging wil de files opheffen, de ouderzorg verbeteren en wil een stevig immigratie- en integratiebeleid, zei Rita. Maar dat is oude koek! Daar wordt al járen over gesproken in de Kamer, zo durfde een verslaggeefster van Het Journaal tegen te werpen. Jazeker, zei Rita triomfantelijk, met dat minzame lachje rond de mondhoeken. Maar dat was nou precies het verschil. Anderen praten er alleen maar over, zij gaat het oplossen!
Wat een simplisme, wat een minachting van onze democratie, wat een onderschatting van ons gezond verstand. Een vrouwelijke premier? Het zal eens een keertje tijd worden. Maar deze niet, alstublieft.
Labels:
column,
peter veenendaal,
rita verdonk,
trots op nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)
